De gevolgen van Appingedam en Zeewolde voor het Nederlands bestuursrecht, in het bijzonder voor ruimtelijke besluiten
Abstract
In de eerste helft van 2018 zijn er twee juridische ontwikkelingen geweest die gevolgen hebben voor met name de ruimtelijke besluitvorming in Nederland. De eerste ontwikkeling heeft betrekking op de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn in Nederland. Hierover gaat het Appingedam-arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 2018, gevolgd door de tussenuitspraak van de Afdeling op 20 juni 2018. De tweede ontwikkeling betreft de vraag of ook in bestemmingsplannen schaarse rechten worden toegedeeld. Hierover heeft staatsraad advocaat-generaal Widdershoven op 6 juni 2018 geconcludeerd.
Na het Appingedam-arrest verschenen er publicaties waarin gesteld werd dat het arrest grote gevolgen zou hebben voor Nederland. Volgens ons zullen de gevolgen relatief beperkt zijn. De ruimere werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn – die uit Appingedam volgt – zal tot gevolg hebben dat op bestuursorganen een gewijzigde, verzwaarde motiveringsplicht komt te rusten en de bestuursrechter zal als logisch gevolg daarvan ook moeten toetsen of het besluit voldoende en in overeenstemming met de Dienstenrichtlijn gemotiveerd is. Verder zal een aantal vergunningstelsels alsnog onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn komen te vallen. Daarnaast volgt uit de conclusie van de advocaat-generaal in Zeewolde dat slechts in uitzonderlijke gevallen een bestemmingsplan of omgevingsvergunning zal moeten voldoen aan het nationale gelijkheidsbeginsel, dat in de context van schaarse publieke rechten strekt tot het bieden van gelijke kansen. Kortom: volgens ons zijn geen fundamentele wijzigingen in het bestuursrecht noodzakelijk. In dit artikel zullen wij – na een beschrijving van beide ontwikkelingen in paragraaf 2 – aangeven wat volgens ons de gevolgen voor het Nederlandse bestuursrecht zullen zijn. Daarbij gaan we eerst in op de gevolgen van het oordeel van het Hof van Justitie over de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn in het algemeen (par. 3) en vervolgens op de gevolgen voor het ruimtelijke ordeningsrecht (par. 4) en de verlening van schaarse (diensten)vergunningen (par. 5).

