Waarom van uitstel soms geen afstel moet komen: een verkenning van de redelijke termijn in het jeugdstrafrecht
Abstract
Het recht op een tijdige en voortvarende behandeling
van een strafzaak is een fundamenteel recht voor iedere verdachte, ongeacht
zijn leeftijd. Die leeftijd kan wel van belang zijn voor het antwoord op de
vraag wat in een concrete zaak ‘voldoende tijdig’ is. In deze bijdrage wordt allereerst onderzocht wat het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht betekent voor de beantwoording van die vraag. Vervolgens komt de vraag aan de orde welke reactie passend is indien het OM in een procedure met een jeugdige verdachte niet de noodzakelijke voortvarendheid heeft getoond.

