De rechtsdwaling: een onderzoek naar de plaats en betekenis van de rechtsdwaling en het beginsel dat eenieder wordt geacht het recht te kennen in het Nederlandse recht, in het bijzonder het privaatrecht
Abstract
Eenieder wordt geacht de wet te kennen. Iedereen kent dit bekende adagium, maar iedereen weet ook dat het niets meer is dan een fictie; feitelijk kent immers niemand de wet. Bovendien is wetskennis als zodanig onvoldoende. Iedereen dient ook alle andere rechtsbronnen te kennen en de daaruit voortvloeiende rechtsregels in een concreet geval correct te kunnen toepassen. Bovengenoemd adagium neemt in dit onderzoek een belangrijke plaats in. Het vormt namelijk de achtergrond van de beoordeling van een beroep op rechtsdwaling. Iedereen die dwaalt over het in zijn situatie toepasselijke objectieve recht, kan op dit leerstuk een beroep doen. Een dergelijk beroep heeft echter, met name in het licht van het adagium, weinig kans van slagen. Meer indirect blijkt de rechter onder omstandigheden wel sneller bereid te zijn om een rechtsdwalingsberoep te honoreren, namelijk via de doorwerking in andere leerstukken, zoals de redelijkheid en billijkheid. In dit boek wordt eerst de achtergrond van het adagium onderzocht. Daarna komt de rechtshistorische ontwikkeling van de beoordeling van een beroep op rechtsdwaling in het privaatrecht aan de orde. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de beoordeling van een dergelijk beroep in allerlei deelgebieden binnen het Nederlandse privaat-, belasting- en strafrecht. Uit het onderzoek blijkt dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet snel wordt gehonoreerd. Ieder rechtsgebied kent echter zijn eigen uitzonderingen. Tevens is in dit boek een toetsingskader ontwikkeld voor de rechter om beroepen op rechtsdwaling zorgvuldig te kunnen beoordelen.

