Het motiefvereiste bij de bestrijding van fiscale wetsontduiking
Abstract
In deze bijdrage wordt de rechtvaardiging van het hanteren van een motiefvereiste bij de bestrijding van wetsontduiking onderzocht. In de literatuur en jurisprudentie heeft zich in de afgelopen eeuw met betrekking tot de invulling van het motiefvereiste een ontwikkeling voorgedaan: waar vroege auteurs belang hechtten aan de aanwezigheid van de opzet tot wetsontduiking, gaat het latere auteurs om de aanwezigheid van een doorslaggevend belastingverijdelingsmotief. Deze ontwikkeling heeft zijn weerslag gehad in de door deze auteurs gegeven rechtvaardigingen voor het motiefvereiste. Vroege rechtvaardigingen hebben aan hedendaags belang ingeboet, terwijl moderne rechtvaardigingen onvoldoende duidelijk maken waarom (slechts) de doorslaggevend gemotiveerde belastingplichtige de rechtsonzekerheid die gepaard gaat met de mogelijke toepassing van het leerstuk moet accepteren. Geconcludeerd wordt dat de besproken argumenten niet in de weg staan aan de suggestie van Happé om het motiefvereiste te laten vervallen, zodat de rechter mogelijk meer armslag zou hebben om agressieve ontwijkingstructuren aan te pakken.

