Commentaar op artikel 4:126 lid 2 Awb

Editor(s):
Barkhuysen, T.; Bröring, H.E.; Jacobs, M.J.; Koenraad, L.M.; Ortlep, R.; Sanders, T.N.; Wever, M.

Abstract

Op grond van art. 4:126 lid 2 Awb blijft schade in elk geval voor rekening van de aanvrager voor zover hij eigen schuld had aan de schade (sub a t/m c), of de vergoeding van de schade reeds voldoende anderszins is verzekerd (sub d). De wetgever onderscheidt drie categorieën van eigen schuld: risicoaanvaarding (sub a), het niet voldoen aan de algemene plicht tot schadebeperking (sub b), en overige vormen van eigen schuld (sub c). Onder 2.2.1 zal worden stilgestaan bij het leerstuk van risicoaanvaarding. Daarbij zal onder andere worden belicht welke vormen van risicoaanvaarding bestaan, hoe de voor tegenwerping van risicoaanvaarding benodigde voorzienbaarheid kan worden geconstrueerd, dat de ABRvS in de regel streng is voor de aanvrager, en hoe risicoaanvaarding zich onderscheidt van de abnormale last. Onder 2.2.2 staat de schadebeperkingsplicht centraal: onder welke voorwaarden kan de schending daarvan worden tegengeworpen aan de aanvrager? In 2.2.3 wordt aandacht geschonken aan overige vormen van eigen schuld. Het zal blijken dat deze met name het hoofd opsteken in atypische nadeelcompensatiegeschillen — die zich veelal voordoen in de sfeer van het handhavingsrecht. Onder 2.2.4 wordt een antwoord gegeven op de vraag wanneer schadevergoeding voldoende anderszins verzekerd kan worden geacht. In 2.3 wordt belicht hoe de bepalingen omtrent eigen schuld van art. 4:126, lid 2, aanhef en onder a t/m c, Awb zich verhouden tot hun civielrechtelijke equivalent: art. 6:101 BW. Ook wordt kort toegelicht hoe afd. 15.1 Ow afwijkt van de algemene jurisprudentielijnen omtrent risicoaanvaarding.