Characteristics of anomalous coronary artery anatomy and implications of ischemia

Abstract

In Europese en Amerikaanse guidelines bestaat momenteel geen consensus t.a.v. de behandeling van aangeboren afwijkingen van de kransslagaders. Bepaalde varianten kunnen bij inspanning een verhoogd risico geven op plotse hartdood. Wanneer een dergelijke variant wordt gevonden, is het belangrijk aantoonbaar te maken of de anatomie een gevaar vormt voor de patiënt. Wat hiervoor de beste diagnostische onderzoeken zijn, is nog onduidelijk. Om dit te onderzoeken, is de Multicentre Study on Coronary Anomalies in The Netherlands opgezet. In deze studie worden verschillende anatomische en functionele onderzoeken van de kransslagaders gedaan en uitslagen daarvan in kaart gebracht met de bedoeling dit toe te passen bij de beleidsvorming: moet iemand worden geopereerd met een grote openhartoperatie of is het gevaar op plotse hartdood zo klein dat een expectatief beleid geoorloofd is en men niet hoeft te interveniëren? Met deze studie moet op termijn worden aangetoond welke onderzoeken het meeste informatie geven t.a.v. het risico op plotse hartdood bij patienten met een aberrante kransslagader en hoe dit te implementeren in de beleidsvoering.

Verder verdiept het proefschrift zich in de verschillende vormen van kransslagaderafwijkingen zowel bij patiënten zonder bijkomende hartafwijkingen als bij patiënten met bijkomende aangeboren hartafwijkingen en beschrijft het een aanvullende methode om op CT-scanbeelden een inschatting te kunnen maken van bepaalde hoog-risico anatomische kenmerken van een abnormale kransslagaderanatomie.

Tot slot is bij muizen onderzocht hoe de zenuwen in het myocard zich herstellen in de weken na een myocardinfarct en de invloed van het epicard hierop. Bekend is dat na een myocardinfarct een toegenomen risico bestaat op plotse hartdood doordat zenuwen ongeorganiseerd terug groeien (sympathische hyperinnervatie). Het onderzoek toonde een toename aan van met name neurotrophic growth factor (een zenuwgroeistimulerende neurotrofe factor) in het epicard in de weken na het hartinfarct. Dit lijkt een aanwijzing te zijn dat het epicard betrokken is bij de sympathische hyperinnervatie die ontstaat na een infarct. Samen met het review over de functies van semaphorine3A (een neurotrofe factor die zenuwgroei remt) op de cardiale innervatie, biedt dit onderzoek aanknopingspunten voor verder onderzoek naar het pathofysiologisch mechanisme van de sympathische hyperinnervatie, wat de weg kan openen voor onderzoek naar de preventie en/of (medicamenteuze) behandeling hiervan.

Congenital heart diseaseCoronary anomaliesCardiac ischemia detectionSympathetic hyperinnervationEpicardial activationNeurotrophic factors