De geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr is uitputtend bedoeld: hierdoor kan een verzoeker ook geen informatie over zichzelf opvragen op grond van artikel 5.5 Woo
Abstract
Deze uitspraak gaat over de verhouding tussen de geheimhoudingsplicht in het belastingrecht (zoals neergelegd in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Awr) en de Wet open overheid (Woo). Onder de voorganger van de Woo (de Wet openbaarheid van bestuur, Wob) was het al vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat artikel 67 Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter is die prevaleert boven de Wob (o.a. ABRvS 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1041, JB 2010/137, m.nt. G. Overkleeft-Verburg, en ABRvS 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3317). In deze uitspraak betreft het echter niet een ‘gewoon’ informatieverzoek op grond van artikel 4.1 Woo, maar een verzoek om informatie over de verzoeker zelf (artikel 5.5 Woo). De vraag of artikel 67 Awr ook een bijzondere regeling met een uitputtend karakter bevat voor verstrekking van deze informatie heeft de Afdeling niet eerder beantwoord. De Wob bevatte hiervoor namelijk geen regeling. De Afdeling oordeelt — kort samengevat — dat artikel 67 Awr ook prevaleert boven artikel 5.5 Woo. Hierna wordt eerst de casus en het oordeel van de Afdeling samengevat (onder 2) en wordt daarop gereflecteerd, in het bijzonder in het licht van de verhouding tussen de conflictregels ‘Lex specialis derogate legi generali’ en ‘Lex posteriori derogate legi priori’ (onder 3). Daarna wordt nog ingegaan op de gevolgen van deze uitspraak voor de rechtsbescherming van burgers (onder 4 en 5).

