Dienstenrichtlijn en evenredigheidsbeginsel: schaars exploitatievergunningstelsel voor rondvaartboten is niet evenredig

Abstract

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) is al geruime tijd voornemens om de voor onbepaalde tijd geldende exploitatievergunningen voor rondvaartboten in Amsterdam in te trekken en te vervangen door vergunningen voor bepaalde tijd. De reden hiervoor is dat het aantal beschikbare vergunningen beperkt is in zogenaamd ‘volumebeleid’ en op grond van de Dienstenrichtlijn moeten dergelijke schaarse vergunningen voor bepaalde tijd worden verleend. In 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de besluiten waarin de duur van de vergunningen werd beperkt, vernietigd wegens (kort samengevat) het ontbreken van een dwingende reden van algemeen belang die het beperken van het aantal vergunningen kon rechtvaardigen (ABRvS 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1520, Gst. 2017/160, m.nt. M. Dankbaar). Omdat het college het aantal exploitatievergunningen nog steeds wilde maximeren, heeft het nieuw beleid vastgesteld en nieuwe exploitatievergunningen verleend. De hier gepubliceerde uitspraak ziet op deze nieuwe vergunningen. Deze uitspraak verdient aandacht vanwege de indringende wijze waarop de Afdeling de besluitvorming toetst aan ieder van de drie stappen van het evenredigheidsbeginsel: noodzakelijk, geschikt en evenwichtig.

Deze annotatie is als volgt opgebouwd. Eerst bespreken wij de casus (onder 2). Vervolgens wordt ingegaan op het oordeel van de Afdeling over de evenredigheid van het volumebeleid, in het bijzonder de geschiktheid (onder 3), noodzakelijkheid (onder 4) en evenwichtigheid (onder 5). De Afdeling toetst, omdat de vergunning in overeenstemming moet zijn met de Dienstenrichtlijn, ook aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Bezien wordt in hoeverre deze toetsing afwijkt van de toetsing aan het nationale evenredigheidsbeginsel zoals die wordt gehanteerd sinds de Harderwijk-uitspraak (ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, Gst. 2022/27, m.nt. R. Stijnen). Ten slotte wordt gereflecteerd op de uitspraak, waarbij wordt ingegaan op de (omvangrijke) motiveringsplicht die op bestuursorganen lijkt te rusten (onder 6) en de vraag of er een verschil is tussen het nationale en Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel (onder 7). De overwegingen in de uitspraak over regulering van eigendom blijven in deze annotatie buiten beschouwing.