Nood breekt niet elke wet: de mensenrechtelijke positie en toegang tot rechtsbescherming van mensen met een functiebeperking bij rampen
Abstract
Zelden zijn onze mensenrechten belangrijker en kwetsbaarder dan in noodsituaties, zoals tijdens rampen en hun nasleep. In dit artikel bespreek ik daarom de belangrijkste verplichtingen die de internationale mensenrechtenverdragen de aangesloten staten opleggen gedurende zulke grimmige tijden. Deze verplichtingen worden in het VN-verdrag Handicap verder gespecificeerd waar zij mensen met een functiebeperking betreffen. Maar als we vervolgens de Nederlandse wet- en regelgeving omtrent noodsituaties onder de loep nemen, blijkt dat deze momenteel op een aantal punten ontoereikend kan worden genoemd. En dit is mogelijk inclusief de beschikbare rechtsbescherming. De concrete gevolgen van zulke gebreken waar het mensenrechtelijke verplichtingen betreft, maak ik duidelijk aan de hand van een nog steeds actueel voorbeeld. Namelijk de mate waarin het recht op leven en het recht op de hoogst haalbare mate van gezondheid van mensen met een functiebeperking werden beschermd in vergelijking met de rest van de bevolking tijdens het begin van de COVID-19-pandemie.

