Het Europees verbod op de herziening van oneerlijke bedingen: welke ruimte is er nog voor dwingend en aanvullend nationaal recht?

Abstract

De noodzaak van een afschrikkende sanctie op oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is de laatste drie jaar vaak onderstreept in de rechtspraak van het HvJEU met betrekking tot Richtlijn 93/13/EEG. Een oneerlijk beding mag de consument niet binden en voor een herziening – lees: conversie of matiging – van het beding, bestaat geen ruimte. Onderhavige bijdrage reflecteert op twee recente arresten waarin de overgebleven rol van dwingend en aanvullend nationaal recht wordt toegelicht. HetUnicaja Banco en Caixabank-arrest geeft aan onder welke voorwaarden een nationale matigingsverplichting kan blijven bestaan en hetKásler-arrest maakt duidelijk wanneer de na de vernietiging van het beding ontstane leemte in de overeenkomst mag worden aangevuld met regelend recht.