De bevoegdheid tot terugvordering van een Europese subsidie van een nationaal bestuursorgaan kan, wanneer die naar Nederlands recht niet bestaat, worden gevonden in een EU-verordening. De nationale rechter dient te beoordelen of de beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen, in hun Unierechtelijke opvatting, zijn geëerbiedigd bij de terugvordering van de EU-subsidie, rekening houdend met het gedrag van zowel de subsidieontvanger als de nationale overheid.