Schaarse vergunning. Looptijd. Terugverdientijd. Standplaatsvergunning Nijmegen

Abstract

Naar deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd reikhalzend uitgekeken door iedereen die betrokken is bij de verlening van schaarse vergunningen. In 2016 oordeelde de Afdeling in de Vlaardingen-uitspraak (ABRvS 2 november 2016, Gst. 2017/57 en A. Drahmann, ‘Hoe kan een gemeente gelijke kansen bieden bij de verdeling van schaarse vergunningen?’, Gst. 2017/55) dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunning(en) mee te dingen. Deze rechtsnorm baseert de Afdeling op het gelijkheidsbeginsel dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen. De Afdeling oordeelde tevens dat uit deze rechtsnorm voortvloeit dat schaarse vergunningen in beginsel niet voor onbepaalde tijd, doch alleen tijdelijk kunnen worden verleend. De vergunninghouder zou namelijk onevenredig worden bevoordeeld bij verlening voor onbepaalde tijd, omdat het voor nieuwkomers dan nagenoeg onmogelijk is om nog toe te treden tot de markt. De Afdeling gaf in deze uitspraak echter nog geen duidelijkheid over de wijze waarop die looptijd van een schaarse vergunning gebaseerd zou kunnen en moeten worden. Deze duidelijkheid geeft de Afdeling in deze uitspraak. In deze annotatie zal ik eerst kort de casus schetsen (onder 2). Vervolgens zal worden ingegaan op verschillende aspecten van het oordeel van de Afdeling, namelijk het onderscheid tussen natuurlijke en beleidsmatige schaarste (onder 3), wat een passende beperkte duur is (onder 4), de motiverings- en onderzoeksplicht van het bestuursorgaan (onder 5-6) en in hoeverre een overgangsperiode mogelijk is (onder 7). Onder 8 ga ik nog in op de vraag in hoeverre dit oordeel van de Afdeling ook van toepassing is op schaarse vergunningen die niet onder de Dienstenrichtlijn vallen.