Rampenbestrijding in 1807: een historische blik op het bestuurlijk handelen ten tijde van de Buskruitrainp
Abstract
Op maandag 12 januari 1807, Coppermaandag, om kwart over vier 's middags vond in Leiden een grote ramp plaats. Een vrachtschip, geladen met 369 vaatjes buskruit explodeerde middenin de binnenstad. Een hele woonwijk werd weggevaagd: 218 huizen werden in één klap vernietigd of waren ernstig beschadigd. Overal in de stad waren ruiten gebroken en dakpannen weggeblazen. De Pieterskerk was zwaar gehavend; van het Stadhuis was een stuk van de gevel naar beneden gekomen. Brokstukken van het kruitschip kwamen terecht in de tuin van het Gemeenlandshuis van Rijnland aan de Breestraat en in de kapel van het St. Anna Aalmoeshofje aan de Middelstegracht. Een zwaar brok lood sloeg een krater in het wegdek van het Rapenburg bij het Academiegebouw. Er vielen tussen de 154 en 165 doden; er waren ongeveer 2000 gewonden. Het is precies 200 jaar geleden dat Leiden door dit onheil werd getroffen: de Buskruitramp. In mijn bijdrage over deze ramp wil ik mij richten op het aspect dat het meest met mijn portefeuille als burgemeester van de stad Leiden te maken heeft: de rampenbestrijding en de openbare orde. Daarna besteed ik nog enkele woorden aan het vrijwel ontbrekende gedenkteken. Ook van een gedenken zou je immers kunnen stellen dat het bij de portefeuille van de burgemeester past, nietwaar?

