Het NLA-programma en het non-interventie beginsel

Abstract

Op 2 oktober 2018 debatteerde de Tweede Kamer over de niet-letale steun die Nederland van 2015 tot en

met het voorjaar van 2018 aan de gematigde gewapende oppositie in Syrië heeft gegeven. Dit zogenaamde

NLA-programma bestond onder meer uit het leveren van goederen met een civiel karakter, waaronder voedselpakketten, kleding, voertuigen en communicatieapparatuur. Volgens Minister van Buitenlandse Zaken Blok koos Nederland voor niet-letale steun aan de Syrische oppositie om de volkenrechtelijke risico’s te mitigeren en bleef het NLA-programma binnen de grenzen van het volkenrecht. De Kamer was niet overtuigd en verzocht de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken en de Adviesraad Internationale Vraagstukken om ‘gezamenlijk een advies uit te brengen over een toetsingskader voor het leveren en financieren van niet-letale steun aan niet-statelijke, gewapende groepen in het buitenland’. Vooruitlopend op dit advies beoogt dit artikel een antwoord te geven op de vraag of het NLA-programma in overeenstemming was met de verplichtingen van Nederland onder internationaal publiekrecht. Geconcludeerd wordt dat het NLA-programma van Nederland in strijd was met het interventieverbod dat steun aan een gewapende groepering die het oogmerk heeft een zittende regering omver te werpen verbiedt. De aard van de geleverde goederen is hierbij in beginsel niet van belang.