SER iMVO Convenant: Van vrijwilligheid naar (semi)gedwongenheid

Abstract

De SER iMVO Convenanten zijn een relatief nieuw juridisch instrument en hoewel de Convenanten niet tot stand zijn gekomen via wetgeving en dus juridisch niet-bindend zijn, gaat er wel een sterk normerende werking vanuit die een juridisch effect kan hebben. In het geval van de iMVO Convenanten zit de normerende werking hem met name in de concreetheid van de regels, maar ook in de mogelijkheid van handhaving via een klacht bij een speciaal daarvoor ingestelde Commissie. Op 4 augustus 2020 heeft de Commissie een eerste klacht in behandeling genomen. Inhoudelijk zijn twee aspecten van de klacht interessant om nader te bekijken omdat deze binnen het arbeidsrecht relatief nieuw zijn. Ten eerste wordt het kledingbedrijf C&A op basis van nationale normen (vastgelegd in het Convenant) aangesproken op iets wat één van haar leveranciers doet, die bovendien niet in Nederland gevestigd of actief is. Ten tweede gaat het hier om een verantwoordelijkheid die is omgeven door juridisch niet-bindende normen. Zowel het Convenant zelf als de regels waar het Convenant op is gebaseerd zijn doorspekt van vrijwilligheid. Het doel van dit artikel is om nader in te gaan op welke verplichtingen het Kledingconvenant nu eigenlijk oplegt aan de bedrijven die zich bij het Convenant hebben aangesloten. Meer concreet en aansluitend bij de zaak tegen C&A betreft dit de volgende vraag: wat voor gedrag en acties worden van een multinational verwacht wanneer arbeidsrechten worden geschonden door een toeleverancier, onderaannemer, enz. die onderdeel uitmaken van de productieketen?

CSRRBCArbeidsrechtiMVOConvenantKledingMaatschappelijk verantwoord ondernemenKlachtencommissie