TBR 2020/27 Mededinging gronduitgifte Didam

Abstract

Op 2 november 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat in het Nederlandse recht een rechtsnorm geldt die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunning(en) mee te dingen. Deze rechtsnorm is gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel, dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen. Het was de vraag of de civiele rechter zou oordelen dat, gelet op artikel 3:14 BW, deze norm ook in acht zou moeten worden genomen bij de toekenning van niet-aanbestedingsplichtige schaarse rechten in het privaatrecht, bijvoorbeeld in het geval van gronduitgifte. Op 19 november 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat een ‘mededingingsnorm bij schaarse vergunningen’ (nog) niet van toepassing is op gronduitgifte buiten de aanbestedingsrechtelijke context. In deze annotatie licht ik toe waarom ik het oordeel van het Gerechtshof dat de mededingingsnorm niet van toepassing zou zijn, niet overtuigend vind.