Lesbisch ouderschap en het afstammingsrecht: een, twee of toch drie ouders?

Abstract

De aandacht voor de juridische positie van kinderen die binnen een lesbische relatie worden geboren, is de afgelopen jaren nauwelijks verslapt. Toch is de vraag die ik in 2003 stelde in de titel van mijn artikel “Een, twee of drie ouders?” nog steeds niet overtuigend beantwoord. De gelijkstelling van kinderen die opgroeien bij lesbische paren aan kinderen die opgroeien bij heteroparen is vergevorderd maar nog niet voltooid. Recentelijk is het adoptierecht gewijzigd om de adoptieregeling voor de niet-biologische moeder te versoepelen, maar wat nog steeds ontbreekt, is een adequate regeling in het afstammingsrecht. De vraag of zo’n regeling nodig is, en zo ja, hoe zo’n regeling eruit zo moeten zien is recent onderwerp geweest van twee op initiatief van de regering opgestelde rapporten: het rapport inzake lesbisch ouderschap van de Commissie Kalsbeek en het recentere rapport inzake erkenning door de niet-biologische moeder en de positie van de bekende donor. In dit artikel komen deze beide rapporten aan de orde, waarbij aandacht zal worden besteed aan de voors en tegens van voorgestelde regelingen op het gebied van het afstammingsrecht. Daarnaast zal aandacht worden besteed aan alternatieven. Het artikel begint met een korte beschrijving van de huidige mogelijkheid voor de niet-biologische moeder om het juridische ouderschap te verwerven: de adoptie.